
Een aannemer legt het werk stil omdat de opdrachtgever weigert akkoord te gaan met meerwerk. De opdrachtgever vindt dat de extra werkzaamheden gewoon binnen de aanneemsom vallen en ontbindt vervolgens de overeenkomst. Wie staat er dan juridisch sterker?
Dat lijkt op het eerste gezicht eenvoudig. Zeker wanneer de aannemer het werk heeft stilgelegd en de oplevering daardoor verder uit beeld raakt. Toch kan de opdrachtgever daarmee een aanzienlijk risico nemen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat in een arrest van 12 mei 2026 zien dat een stillegging niet zonder meer betekent dat de aannemer tekortschiet en dat de opdrachtgever vervolgens gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden.
In de zaak ging het om de verbouwing van een vakantiewoning. Tijdens de werkzaamheden ontstond discussie over zwamvorming, constructieve aanpassingen en isolatiewerkzaamheden. De aannemer stelde dat daarvoor extra werkzaamheden nodig waren en verlangde een meerwerkopdracht. De opdrachtgever weigerde, omdat hij vond dat deze werkzaamheden al in de aanneemsom waren begrepen.
Daar kwam een betalingsgeschil bij. De opdrachtgever betaalde een termijnfactuur niet, waarna de aannemer het werk stillegde. De opdrachtgever stelde vervolgens dat de aannemer tekort was geschoten en ontbond de overeenkomst voor het nog niet uitgevoerde gedeelte.
De opdrachtgever beriep zich ook op overschrijding van de bouwtermijn. Dat argument hielp hem niet. In het contract was geen concrete opleverdatum of fatale bouwtermijn opgenomen. Het betalingsschema, waarin termijnen waren gekoppeld aan de voortgang van het werk, maakte volgens het hof nog geen fatale oplevertermijn. Ook had de opdrachtgever onvoldoende onderbouwd welke termijn precies was overeengekomen.
Voor de bouwpraktijk is dat relevant. Een gewenste opleverdatum is nog geen overeengekomen fatale termijn. Als een opdrachtgever later een beroep op termijnoverschrijding wil doen, moet uit de overeenkomst en de omstandigheden voldoende duidelijk blijken dat partijen daadwerkelijk een fatale termijn zijn overeengekomen.
De aannemer kon zich niet beroepen op de onbetaalde termijnfactuur. De toepasselijke Covo 2010 bepaalde dat de opdrachtgever eerst een betalingsherinnering moest krijgen met veertien dagen om alsnog te betalen. Daarna moest nog een termijn van zeven dagen worden gegeven voordat het werk mocht worden stilgelegd. De aannemer had dat stappenplan niet gevolgd. Voor deze grondslag was de stillegging dus niet gerechtvaardigd.
Daarmee was de zaak voor de opdrachtgever echter niet gewonnen.
Het hof beoordeelde afzonderlijk de discussie over de onvoorziene omstandigheden en het meerwerk. De zwamvorming was tijdens de uitvoering aan het licht gekomen en leidde tot noodzakelijke extra werkzaamheden. Ook de constructie bleek aanpassing te behoeven. De opdrachtgever had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aannemer deze omstandigheden al vóór het sluiten van de overeenkomst kende of had moeten kennen.
Belangrijker nog: de aannemer had overleg gezocht over de kosten, terwijl de opdrachtgever zich steeds op het standpunt had gesteld dat hij deze kosten niet hoefde te betalen en geen meerwerkopdracht wilde geven. Onder die omstandigheden mocht de aannemer redelijkerwijs aannemen dat de opdrachtgever ook bij een latere afrekening niet voor deze werkzaamheden zou willen betalen. Dat gaf de aannemer wél de bevoegdheid het werk stil te leggen en de verdere uitvoering op te schorten.
Het gevolg was verstrekkend. Hoewel de aannemer het werk dus niet vanwege de onbetaalde termijnfactuur mocht stilleggen, mocht hij dat wel vanwege de impasse over de noodzakelijke extra werkzaamheden. De aannemer was daardoor op het moment van de ontbinding niet in verzuim. De opdrachtgever had geen grond om de overeenkomst te ontbinden en kon de aannemer evenmin aansprakelijk houden voor de schade die uit die ontbinding voortvloeide.
Dat onderscheid is wezenlijk. Een contractspartij kan op één grondslag geen recht hebben op opschorting, maar op een andere grondslag wel. Wie uitsluitend naar de eerste grondslag kijkt, kan te snel concluderen dat de wederpartij tekortschiet.
De gevolgen bleven niet beperkt tot het verlies van een schadeclaim. Omdat de ontbinding niet gerechtvaardigd was, bleef de opdrachtgever gehouden tot afrekening van het werk. Daarbij moest worden gekeken naar de stand van het werk op het moment van de ontbinding, inclusief het relevante meerwerk.
Juist daar ontstond een bewijsprobleem. Bij de stillegging was geen onafhankelijke opname van de stand van het werk gemaakt. Ook de opdrachtgever had bij de ontbinding geen onafhankelijk rapport laten opstellen. Nadat een andere aannemer het werk had afgemaakt, was daardoor niet meer eenvoudig vast te stellen welk deel door de eerste aannemer was uitgevoerd. Het hof heeft uiteindelijk zelf een schatting gemaakt en het gereedheidspercentage op 70% gesteld.
De zaak laat daarmee zien dat een conflict over meerwerk niet alleen gaat over de vraag wie uiteindelijk de rekening moet betalen. De wijze waarop partijen tijdens het conflict handelen, kan bepalen wie bevoegd is het werk stil te leggen, wie in verzuim raakt en of ontbinding mogelijk is.
Voor een opdrachtgever is het daarom riskant om uit een stillegging direct af te leiden dat de aannemer tekortschiet. Voor een aannemer geldt het omgekeerde: een opschortingsrecht moet op de juiste grondslag worden gebaseerd en contractuele voorwaarden moeten daadwerkelijk worden nageleefd.
De juridische positie van partijen wordt uiteindelijk niet alleen bepaald door de vraag wie inhoudelijk gelijk heeft over het meerwerk, maar ook door de vraag wie door zijn handelen de verdere uitvoering van het contract onmogelijk maakt. Juist in een escalerend bouwconflict kan die volgorde van gebeurtenissen bepalend zijn voor de vraag wie uiteindelijk met de rekening blijft zitten.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026-3086

Heeft u een probleem met een bouwcontract, een geschil tijdens de uitvoering van een bouwproject of een andere bouwrechtelijke vraag? Neem gerust contact met mij op.