Waarom verloren zowel de opdrachtgever als de aannemer deze procedure?

Een goed dossier is vaak belangrijker dan gelijk hebben.

In mijn praktijk kom ik regelmatig tegen dat partijen vooral bezig zijn met de vraag wie er gelijk heeft. De opdrachtgever is ervan overtuigd dat het werk gebrekkig is uitgevoerd. De aannemer vindt juist dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om het werk af te maken of gebreken te herstellen.

De discussie wordt vervolgens steeds verder op scherp gezet en uiteindelijk belandt het geschil bij de rechter. Maar wie gelijk heeft, is lang niet altijd de doorslaggevende vraag.

De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:2843) laat zien dat bouwgeschillen regelmatig worden beslist op een veel fundamenteler punt: de kwaliteit van het dossier.

Het geschil

In deze zaak stelde de opdrachtgever dat de aannemer tekort was geschoten in de uitvoering van de werkzaamheden. Volgens de opdrachtgever waren termijnen overschreden, waren werkzaamheden gebrekkig uitgevoerd en moesten derden worden ingeschakeld om het werk af te maken en herstelwerkzaamheden uit te voeren.

De aannemer stelde daarentegen dat de overeenkomst door de opdrachtgever was beëindigd en dat hij daarom aanspraak had op betaling van de resterende aanneemsom en openstaande facturen.

De opdrachtgever en de aannemer kregen allebei (grotendeels) ongelijk.

De opdrachtgever onderbouwde zijn schade onvoldoende

De opdrachtgever voerde aan dat sprake was van overschrijding van fatale termijnen en dat aanzienlijke herstelkosten moesten worden gemaakt.

De rechtbank stelde echter vast dat onvoldoende was onderbouwd dat daadwerkelijk sprake was van fatale termijnen. Daarnaast ontbrak een voldoende concrete onderbouwing van de gestelde herstelkosten en de noodzaak om derden in te schakelen.

Dat laatste is interessant. In de bouwpraktijk wordt regelmatig relatief snel gekozen voor het inschakelen van een andere aannemer wanneer de relatie met de oorspronkelijke aannemer onder druk komt te staan. Juridisch is dat echter niet zonder risico.

In een eerder artikel voor vakblad Aannemer schreef ik al over het herstelrecht van de aannemer en het belang van het bieden van een redelijke gelegenheid om gebreken te herstellen:

Ook in deze uitspraak blijkt hoe belangrijk het is om zorgvuldig vast te leggen welke gebreken zijn geconstateerd, welke herstelmogelijkheden zijn geboden en waarom uiteindelijk voor herstel door derden is gekozen.

Ook de aannemer kreeg niet (volledig) gelijk

Hoewel de rechtbank oordeelde dat sprake was van een opzegging van de aannemingsovereenkomst, betekende dit niet automatisch dat de aannemer aanspraak had op de volledige resterende aanneemsom.

Op grond van artikel 7:764 BW heeft een aannemer bij opzegging recht op de overeengekomen prijs, verminderd met de besparingen die uit de beëindiging voortvloeien.

De aannemer stelde dat van dergelijke besparingen geen sprake was, maar onderbouwde dat onvoldoende. De rechtbank nam aan dat als werk niet hoeft te worden uitgevoerd, lijkt dat zonder meer een besparing te zijn. Daardoor wees de rechtbank ook dit deel van de vordering af.

In procedures wordt vaak uitgebreid gediscussieerd over de vraag óf sprake is van opzegging, terwijl minder aandacht wordt besteed aan de financiële onderbouwing van de gevolgen daarvan. Juist daar ging het in deze zaak mis. Had de aannemer de besparingen voldoende onderbouwd of voldoende onderbouwd dat er geen sprake was van besparingen, dan had de aannemer de volledige aanneemsom (minus eventuele besparingen) toegewezen gekregen.

Waarom het in de praktijk vaak misgaat

Deze uitspraak staat niet op zichzelf. In de bouwpraktijk zie ik regelmatig dat partijen veel aandacht besteden aan de inhoud van een geschil, maar relatief weinig aan de vastlegging van feiten tijdens de uitvoering van het project.

Zolang de werkzaamheden nog lopen, lijkt daar vaak geen urgentie voor te bestaan. Afspraken worden gemaakt tijdens bouwvergaderingen, wijzigingen worden telefonisch besproken en klachten worden tussendoor opgelost.

Pas wanneer een conflict ontstaat, blijkt hoe belangrijk een goed dossier is. Dan ontstaat discussie over vragen als:

  • Welke afspraken zijn precies gemaakt?
  • Welke gebreken zijn gemeld?
  • Welke herstelmogelijkheden zijn geboden?
  • Welke schade is daadwerkelijk geleden?

Juist op dat moment blijkt vaak dat cruciale informatie ontbreekt of onvoldoende is vastgelegd.

De uitspraak van de rechtbank laat zien dat dit verstrekkende gevolgen kan hebben. Niet alleen voor opdrachtgevers die schadevergoeding vorderen, maar ook voor aannemers die aanspraak maken op betaling.

Conclusie

Deze uitspraak laat zien dat een procedure niet altijd wordt gewonnen door de partij met het sterkste verhaal, maar door de partij die haar standpunten het beste kan onderbouwen.

Voor zowel opdrachtgevers als aannemers geldt daarom hetzelfde uitgangspunt: een goed dossier is geen administratieve verplichting, maar een essentieel onderdeel van risicobeheersing binnen elk bouwproject.

Ik ben Maikel Exterkate, advocaat met bijna 20 jaar ervaring in het oplossen van geschillen en het voeren van procedures in b2b-relaties. Of het nu gaat om zaken bij de rechtbank, in hoger beroep, kort geding of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen, ik beschik over uitgebreide kennis en praktijkervaring. Neem gerust vrijblijvend contact op om te bespreken wat ik voor u kan betekenen.